Dutch Vocabulary: Numbers 1 to 50



Number Dutch
 
0 nul
1 één
2 twee
3 drie
4 vier
5 vijf
6 zes
7 zeven
8 acht
9 negen
10 tien
11 elf
12 twaalf
13 dertien
14 veertien
15 vijftien
16 zestien
17 zeventien
18 achttien
19 negentien
20 twintig
21 eenentwintig
22 tweeëntwintig
23 drieëntwintig
24 vierentwintig
25 vijfentwintig
26 zesentwintig
27 zevenentwintig
28 achtentwintig
29 negenentwintig
30 dertig
31 eenendertig
32 tweeëndertig
33 drieëndertig
34 vierendertig
35 vijfendertig
36 zesendertig
37 zevenendertig
38 achtendertig
39 negenendertig
40 veertig
41 eenenveertig
42 tweeënveertig
43 drieënveertig
44 vierenveertig
45 vijfenveertig
46 zesenveertig
47 zevenenveertig
48 achtenveertig
49 negenenveertig
50 vijftig

Learn
Flash CardsHangmanWord Search