Lexis Rex Home

Spaans Woord van de dag

invierno



winter
winter

Geslacht

Het geslacht van de invierno is mannelijk. Bijv. el invierno.

Meervoud

Het meervoud van invierno is inviernos.

Definities

Spaans > Nederlands
invierno
     1. winter
invernar
Spaans > Spaans
invierno
     1. nm. La más fría de las cuatro estaciones del año, que sucede al otoño y antecede a la primavera, en aquella parte de la Tierra comprendida entre las zonas polares y tropicales.
           Siguiente: primavera.
     2. nm. Período de lluvias abundantes, que se opone a la estación seca, en los países de clima tropical.
     3. nm. Lluvia corta y copiosa que cae de improviso.
     4. nm. Por extensión de invierno, periodo de escasez o dificultad.
Nederlands > Spaans
winter
     1. invierno

Uitspraak






Voorbeeldzinnen

Yo oí que el pasto en Inglaterra es verde incluso en el invierno.
    Ik heb gehoord dat het gras in Engeland zelfs groen is in de winter.
En invierno, las hojas secas vuelan por el aire.
    In de winter vliegen de droge bladeren in de lucht rond.
En el otoño, algunos animales guardan comida para el invierno.
    In de herfst leggen sommige dieren een voedselvoorraad voor de winter aan.
Las guerras no empiezan simplemente como el invierno, sino que son las personas las que comienzan una guerra.
    Oorlogen starten niet zoals de winter start, maar het zijn de mensen die een oorlog starten.
Esperamos un invierno muy frío este año.
    We verwachten dit jaar een heel koude winter.



Vorige woorden herzien


Willekeurig





Leer
Woord van de dag
Meerkeuzevraag
Flashkaarten
Bingo
Verborgen afbeelding
Galgje
Woordzoeker
Geheugen
Kruiswoordpuzzel




Abonneer u op Woord van de Dag
E-mail: