| Dutch > English |
| zee |
| 1. n-f. sea |
| Ze zeilden over de open zee om nieuwe landen te ontdekken. - They sailed the open sea to discover new lands. |
| Ik wil volgend jaar naar de zee verhuizen. - I want to move to the sea next year. |
| Het kleine zeetje was een populaire plek voor lokale vissers. - The small sea was a popular spot for local fishermen. |
| 2. n-f. sea (a vast mass, expanse; multitude) |
| Er was een zee van mensen bij het concert. - There was a sea of people at the concert. |
| Hij keek uit over een zee van bloemen. - He looked out over a sea of flowers. |
| De hemel was een eindeloze zee van sterren. - The sky was an endless sea of stars. |