Lexis Rex Home

Spaans Woord van de dag

tío



oom

Geslacht

Het geslacht van de tío is mannelijk. Bijv. el tío.

Meervoud

Het meervoud van tío is tíos.

Definities

Spaans > Nederlands
tío
     1. oom, nonkel
Spaans > Spaans
tío
     1. nm. Hermano de la madre o del padre de una persona.
     2. nm. Primo de la madre o del padre de una persona.
     3. nm. Se utiliza para referirse a una persona cualquiera, o como forma de llamar a un amigo.
           Me gritó ese tío. / Tío, vente a mi casa.
     4. nm. Hermano de la abuela o del abuelo de una persona.
           Uso: informal.
Nederlands > Spaans
oom
     1. tío

Uitspraak




tío

Voorbeeldzinnen

Mi tío me ha dado un libro.
    Mijn oom heeft mij een boek gegeven.
Mi tío vive cerca de la escuela.
    Mijn oom woont in de buurt van de school.
¿Todavía está vuestro tío en el extranjero?
    Is jullie oom nog steeds in het buitenland?
Mi tío murió ayer de cáncer estomacal.
    Mijn oom is gisteren overleden aan maagkanker.
El hermano de mi madre es mi tío.
    De broer van mijn moeder is mijn oom.



Vorige woorden herzien


Willekeurig





Leer
Woord van de dag
Meerkeuzevraag
Flashkaarten
Bingo
Verborgen afbeelding
Galgje
Woordzoeker
Geheugen
Kruiswoordpuzzel




Abonneer u op Woord van de Dag
E-mail: