Lexis Rex Home

Spaans Woord van de dag

autobús



bus
bus

Geslacht

Het geslacht van de autobús is mannelijk. Bijv. el autobús.

Meervoud

Het meervoud van autobús is autobuses.

Definities

Spaans > Nederlands
autobús
     1. bus, autobus
Spaans > Spaans
autobús
     1. nm. Vehículo para pasajeros de gran capacidad y recorrido fijo dentro de una urbe o que une varias poblaciones.
           ¿Cómo voy, en metro o en autobús?
Nederlands > Spaans
bus
     1. autobús

Uitspraak




autobús

Voorbeeldzinnen

Esto es un coche y eso es un autobús.
    Dit is een auto en dat is een bus.
Cuando llegaba a la estación, me bajé del autobús.
    Toen ik bij het station was aangekomen, stapte ik uit de bus.
El autobús llegó con diez minutos de retraso.
    De bus kwam tien minuten te laat.
La parada de autobús está al otro lado de la calle.
    De bushalte is aan de overkant van de straat.
Corrí tan rápido como pude, pero perdí el autobús.
    Ik rende zo hard als ik kon, maar ik miste de bus.



Vorige woorden herzien


Willekeurig





Leer
Woord van de dag
Meerkeuzevraag
Flashkaarten
Bingo
Verborgen afbeelding
Galgje
Woordzoeker
Geheugen
Kruiswoordpuzzel




Abonneer u op Woord van de Dag
E-mail: