Lexis Rex Home

Engels Woord van de dag

building



gebouw
gebouw


Definities

Engels > Nederlands
building
     1. gebouw
build
     1. (ik) bouw
     2. (je) bouwt
     3. (we) bouwen
     4. bouw
Engels > Engels
building
     1. n. The act or process by which something is built; construction.
           The building of the bridge will be completed in a couple of weeks.
     2. n. A closed structure with walls and a roof.
           My sister lives in that apartment building.
Nederlands > Engels
gebouw
     1. n-n. building, structure, construction
           De gebouwen van een stad. - The buildings of a city.

Uitspraak




Voorbeeldzinnen

I'll be glad when they're done building that bridge.
    Ik zal blij zijn als ze klaar zijn met het bouwen van die brug.
Who is the man standing in front of the building?
    Wie is die man die voor het gebouw staat?
I'm the owner of this building.
    Ik ben de eigenaar van dit gebouw.
I saw the plane hit the building.
    Ik zag het vliegtuig het gebouw inboren.
The building is under construction.
    Het gebouw is op het moment in aanbouw.



Vorige woorden herzien


Willekeurig





Leer
Woord van de dag
Meerkeuzevraag
Flashkaarten
Bingo
Verborgen afbeelding
Galgje
Woordzoeker
Geheugen
Kruiswoordpuzzel




Abonneer u op Woord van de Dag
E-mail: