Lexis Rex Home

Engels Woord van de dag

Sunday



zondag


Definities

Engels > Nederlands
Sunday
     1. zondag
Engels > Engels
Sunday
     1. n. The first day of the week in many religious traditions, and the seventh day of the week in systems using the ISO 8601 standard; the Christian Sabbath; the Lord's Day; it follows Saturday and precedes
     2. n. (informal) A newspaper published on Sunday.
     3. v. To spend Sunday (at a certain place, with a certain person or people, etc.).
     4. adv. (US, Canada) On Sundays.
Nederlands > Engels
zondag
     1. n-m. Sunday
           Op zondag gaan we altijd naar de kerk. - On Sunday we always go to church.
           De zondagen zijn perfect voor familiebijeenkomsten. - The Sundays are perfect for family gatherings.
           We hadden een lui zondagje thuis. - We had a lazy Sunday at home.

Uitspraak




Voorbeeldzinnen

I slept all day yesterday, because it was Sunday.
    Ik heb gisteren de hele dag lang geslapen, omdat het zondag was.
I met an ear nose and throat doctor at a party on Sunday.
    Ik heb een neus-, keel- en orenarts ontmoet op een feest zondag.
The coffee shop wasn't open Sunday morning. There was a scheduling error amongst the staff.
    De coffeeshop was niet open op zondagochtend. Er was een planningsfout onder het personeel.



Vorige woorden herzien


Willekeurig





Leer
Woord van de dag
Meerkeuzevraag
Flashkaarten
Bingo
Verborgen afbeelding
Galgje
Woordzoeker
Geheugen
Kruiswoordpuzzel




Abonneer u op Woord van de Dag
E-mail: