| Dutch > English |
| wassen |
| 1. v. to wash, to clean |
| Ik ga mijn kleren wassen in de wasmachine. - I am going to wash my clothes in the washing machine. |
| Vergeet niet je handen te wassen voor het eten. - Don't forget to wash your hands before eating. |
| Ik moet de auto even wassen voordat we op reis gaan. - I need to clean the car before we go on a trip. |
| 2. v. to grow, to rise, to increase, to become higher and/or bigger, to wax |
| de wassende maan - the waxing moon |
| 3. adj. made of wax, waxen |
| De kaarsen zijn gemaakt van wassen en hebben een aangename geur. - The candles are made of wax and have a pleasant scent. |
| De beeldhouwer gebruikte een model gemaakt van wassen om het kunstwerk te maken. - The sculptor used a model made of wax to create the artwork. |
| De wassen vloer glansde in het zonlicht. - The waxen floor glistened in the sunlight. |
| 4. v. to rub wax on |
| Ik ga de houten tafel wassen met een laagje bijenwas. - I am going to rub wax on the wooden table with some beeswax. |
| De meubelmaker heeft de antieke kast netjes gewassen met een speciale was. - The furniture maker carefully rubbed wax on the antique cabinet with a special wax. |
| Voordat je de vloer gaat boenen, moet je eerst de was wassen op de tegels. - Before you start scrubbing the floor, you need to rub wax on the tiles. |