| Dutch > English |
| voet |
| 1. n-m. foot (lowest part of the legs) |
| Hij heeft zijn voet verstuikt tijdens het voetballen. - He sprained his foot while playing football. |
| Ze wast haar voeten elke avond voor het slapengaan. - She washes her feet every night before going to bed. |
| 2. n-m. foot, base (lowest part of any standard, support, stand or pillar) |
| De voet van de lamp was gemaakt van marmer. - The base of the lamp was made of marble. |
| Het standbeeld staat op een grote betonnen voet. - The statue stands on a large concrete base. |
| 3. n-m. imperial foot (unit of measure) |
| De breedte van de kamer is tien voet. - The width of the room is ten feet. |
| Hij kocht een touw van vijftien voet lang. - He bought a fifteen-foot long rope. |
| 4. n-m. (historical) Dutch foot (unit of measure) |
| In de 18e eeuw mat men de lengte in voet. - In the 18th century, length was measured in feet. |
| Een voet was vroeger een belangrijke maateenheid in Nederland. - A foot used to be an important unit of measurement in the Netherlands. |
| 5. n-m. (poetry) foot (most basic element of a metre) |
| Dit gedicht heeft een ritme van vier voeten per vers. - This poem has a rhythm of four feet per line. |
| Een jambische pentameter heeft vijf voeten per vers. - An iambic pentameter has five feet per line. |