| Dutch > English |
| sneeuw |
| 1. n-f. snow (frozen precipitation) |
| Kinderen zijn dol op spelen in de sneeuw tijdens de winter. - Children love playing in the snow during winter. |
| Er ligt een dikke laag sneeuw op de straten na de hevige sneeuwval. - There is a thick layer of snow on the streets after heavy snowfall. |
| 2. n-f. snow, static, noise (on a display screen) |
| Het televisiesignaal is niet goed; ik zie alleen maar sneeuw op het scherm. - The TV signal is not good; I only see snow on the screen. |
| De oude monitor vertoont veel sneeuw en storing. - The old monitor has a lot of static and interference. |
| 3. n-f. (slang) cocaine |
| Het is bekend dat sommige feestgangers sneeuw gebruiken op dit soort evenementen. - It's known that some partygoers use cocaine at this type of events. |
| Het bezit en gebruik van sneeuw zijn illegaal in de meeste landen. - Possession and use of cocaine are illegal in most countries. |
| 4. v. imperative of sneeuwen |
| 5. v. topics, Atmospheric phenomena |