| Dutch > English |
| peer |
| 1. n-f. A pear, a fruit of the pear tree. |
| De supermarkt verkoopt heerlijke peren van lokale boomgaarden. - The supermarket sells delicious pears from local orchards. |
| Ik heb een sappige rijpe peer voor mijn lunch. - I have a juicy ripe pear for my lunch. |
| 2. n-f. A light bulb. |
| Het oude peertje in de lamp is kapot, we moeten het vervangen. - The old light bulb in the lamp is broken, we need to replace it. |
| Ze draaide het peertje in de fitting en de kamer was weer verlicht. - She screwed in the light bulb and the room was illuminated again. |
| 3. n-m. A pear tree, Pyrus communis. |
| De tuin heeft een prachtige peer staan die elk jaar veel fruit produceert. - The garden has a beautiful pear tree that yields a lot of fruit every year. |
| Hij plantte een jong peertje in zijn achtertuin. - He planted a young pear tree in his backyard. |
| De oude peer in de boomgaard gaf heerlijke vruchten. - The old pear tree in the orchard produced delicious fruits. |