Lexis Rex Home

Duits Woord van de dag

Haar



haar
haar

Geslacht

Het geslacht van de Haar is onzijdig. Bijv. das Haar.

Meervoud

Het meervoud van Haar is Haare.

Definities

Duits > Nederlands
Haar
     haar
Duits > Duits
Haar
     [1] Hornfäden, die auf dem Körper von Menschen und Säugetieren wachsen
     [2] ohne Plural: Gesamtheit der Kopfhaare
     [3] Botanik, meist im Plural: haarartige Gebilde an Pflanzenteilen
          [1] Er hat lange Haare.
          [2] Sie kämmt ihr Haar.
          [3] Die Haare von Brennnesseln zu berühren, ist ziemlich schmerzhaft.
     [1] Geografie: Höhenzug in Nordrhein-Westfalen
     [1] Geografie: Gemeinde in Oberbayern im Münchner Osten
          [1] „Größter Arbeitgeber in Haar ist das 1905 eröffnete Isar-Amper-Klinikum München-Ost eine der größten psychiatrischen Kliniken in Deutschland.“
Nederlands > Duits
haar
     Haar

Uitspraak




Voorbeeldzinnen

Ihr Haar ist sehr kurz.
    Haar haar is heel kort.
Ich habe kein Haar auf meinem Kopf.
    Ik heb geen haar op mijn hoofd.
Es regnete gerade und Joes langes Haar wurde völlig nass, bis er zu Hause war.
    Het regende en de lange haren van Joe waren helemaal nat vooraleer hij thuis was.
Er hat kurzes Haar.
    Hij heeft kort haar.
Sie hat langes Haar.
    Zij heeft lang haar.



Vorige woorden herzien


Willekeurig





Leer
Woord van de dag
Meerkeuzevraag
Flashkaarten
Bingo
Verborgen afbeelding
Galgje
Woordzoeker
Geheugen
Kruiswoordpuzzel




Abonneer u op Woord van de Dag
E-mail: